Over de Vereniging

De Historische Vereniging Middelstum is opgericht op 27 oktober 2011. Op dit moment bestaat de vereniging uit bijna 170 leden en 7 bestuursleden. 

Het logo stelt de begrenzing van de oude gemeente Middelstum voor, met Hippolytus als beschermheilige in het midden afgebeeld.

archeologische-vondsten-herinrichting-middelstumIn het kader van de eerste fase van de herinrichting van het centrum van Middelstum...

Tentoonstellingen

Archeologische vondsten herinrichting Middelstum

In het kader van de eerste fase van de herinrichting van het centrum van Middelstum is dwars door de wierde een riool aangelegd. De wierde is al vanaf de IJzertijd bewoond. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. heeft in opdracht van de gemeente Loppersum de werkzaamheden archeologisch begeleid vanaf midden 2012. Hierbij zijn honderden archeologische vondsten gedaan. De vondsten zijn een waardevolle bijdrage aan het verhaal van de geschiedenis van Middelstum. De eerste fase betrof de straten Burgemeester van Ankenweg, Oudeschoolsterweg, Johan Lewestraat,  Jacob Vinhuizenstraat, Menthedalaan, Concordiaplein en de Grachtstraat. Het onderzoek geeft een indruk van wat er in Middelstum nog allemaal in de bodem zit. De expositie was een overzicht van de eerste onderzoeksresultaten.

a1

De ontwikkeling van het kustgebied in Noord Nederland
De laatste IJstijd (het Weichselien) eindigde rond 9000 jaar geleden. Toen lag de zeespiegel nog ca. 30 m lager dan nu. De zee bevond zich ver ten noorden van de huidige kustlijn. Noord Nederland bestond uit een grote zandvlakte, waar enkele rivieren door stroomden, onder andere de voorganger van de Fievel. Door het afsmelten van de ijskappen steeg de zeespiegel. Eerst zeer snel en vanaf ca. 3500 jaar geleden langzamer. Rond 8000 tot 7000 jaar geleden drong de zee binnen in de laagste delen van het dal van de Fievel. Vervolgens kwam het hele noordelijke kustgebied onder invloed van de zee en ontstond een uitgebreid getijdengebied met wadden en kwelders, die doorsneden werden door geulen en kreken. Net zoals nu bestond het wad uit zand- en slikplaten die bij vloed overstroomden en bij eb droogvielen. Het wad werd tegen de zee beschermd door een reeks Waddeneilanden (strandwal).  Doordat de zee zand- en klei afzette ontstonden langs de zuidzijde van het wad kwelders, die uiteindelijk zo hoog werden dat ze alleen overstroomden bij extreem hoog water. Het Fieveldal ontwikkelde zich tot een getijdenbekken. Als gevolg van het hoge grondwaterniveau ontstond ca. 4000 jaar geleden op de overgang van getijdengebied naar het hoger gelegen achterland (het Drents Plateau) een veenmoeras, vooral langs de rand van het getijdenbekken. Vanaf ca. 3000 jaar geleden, met name vanaf het begin van de jaartelling, werd de invloed van de zee groter en drong het zeewater verder landinwaarts door. Hierdoor werd het veen weggeslagen of door klei overdekt en ontstond een uitgebreid kwelderlandschap. In de Middeleeuwen brak de zee vaak veelvuldig door, waardoor ter hoogte van de monding van de Fievel een grote zeeboezem (trechtervormige baai) ontstond. Pas vanaf de 12e eeuw werden zeedijken opgeworpen en werd het kweldergebied in fasen ingepolderd, waardoor uiteindelijk de huidige kustlijn ontstond. De Fievel slibde dicht en is nu bijna niet meer in het landschap te herkennen.

a2

De bewoning van het kustgebied
Vanaf de 7de en 6de eeuw v.Chr. (Vroege IJzertijd) werden de kwelders langzaam gekoloniseerd, waarschijnlijk door mensen die afkomstig waren van de zandgronden in Drenthe en Noord Duitsland. Hoe dit proces plaatsvond is niet helemaal duidelijk. Mogelijk was er sprake van een stapsgewijze kolonisatie, waarbij het kweldergebied eerst werd gebruikt voor het weiden van vee in de daarvoor geschikte seizoenen (vooral in de zomer) en later voor permanente bewoning. In eerste instantie werd direct op de kwelder gewoond of op een opgeworpen verhoging (podium). In een later stadium werden wierden opgeworpen als bescherming tegen overstromingen. Hiervoor werden plaggen gebruikt die in de omgeving gestoken werden. Verder werd voor de ophoging ook afval en mest gebruikt. In het beginstadium werd voor elk huiserf een eigen wierde opgeworpen. Doordat de afzonderlijke wierden verder werden opgehoogd en uitgebreid ontstonden, vooral in de Middeleeuwen, uiteindelijk de wierden zoals wij ze nu kennen. In de 19e eeuw zijn veel wierden (deels) afgegraven voor de vruchtbare grond, die gebruikt werd voor bemesting van (met name) de Drentse zandgronden.

Op de kwelders werd vee geweid, vooral rundvee. Waarschijnlijk was de melk belangrijker dan het vee. Lang werd gedacht dat de kwelders, vooral in de vroegste bewoningsfases, niet geschikt waren voor akkerbouw en dat men afhankelijk was van toevoer van graan vanuit het achterland. Recent onderzoek heeft echter aangetoond dat op de kwelders waarschijnlijk toch (in beperkte mate) sprake was van akkerbouw. Voor de kwelderbewoners was het verkrijgen van zoet water essentieel, zowel voor eigen gebruik als voor het vee. Water werd verzameld in en geput uit dobben, een soort van vijvers die binnen de wierde lagen. Ook werden diepe putten en kuilen gegraven om het zoete grondwater te kunnen bereiken..


De ontwikkeling van Middelstum

De wierde van Middelstum ligt in een rij van wierden langs de boezem van de Fievel. Direct ten zuiden van Middelstum, langs de Boerdamsterweg, is in de jaren 70 van de 20e eeuw een kleine wierde opgegraven, waar bewoningssporen zijn aangetroffen uit de 6e en 5e eeuw v. Chr. In die periode lag Middelstum dicht bij de zee. Het is onbekend of Middelstum zelf toen ook al bewoond was. Tijdens het huidige archeologische onderzoek is een spinschijfje gevonden dat mogelijk uit deze periode dateert. Uit de Midden en Late IJzertijd en de Romeinse tijd zijn veel vondsten gedaan. De term Romeinse tijd is niet helemaal juist, omdat de grens van het Romeinse rijk (de Limes) ongeveer ter hoogte van de grote rivieren lag en Noord Nederland nooit door de Romeinen is veroverd. Ook in deze periode lag de zee nog steeds nabij. In de vierde eeuw, ook wel de Volksverhuizingstiid genoemd, is vrijwel het hele kustgebied verlaten. Ook voor Middelstum zijn geen aanwijzingen voor bewoning in deze periode. Pas vanaf de Vroege Middeleeuwen vindt er opnieuw bewoning plaats. De oudste schriftelijke vermelding van Middelstum dateert tussen 822 en 856, toen nog Mitilistenheim genoemd. Door de inpoldering vanaf de Middeleeuwen kwam Middelstum steeds verder van de kust te liggen.
Vanaf de 11e eeuw begon men in Noord Nederland met de bouw van de eerste stenen kerken. De oudste kerken waren opgebouwd uit tufsteen, geïmporteerd uit het Eifelgebied in Duitsland. In de dertiende eeuw kwam de baksteenbouw in opkomst en zijn veel kerken vernieuwd en uitgebreid. De Hippolytuskerk van Middelstum dateert ook uit deze periode.
Binnen het centrum van Middelstum zijn in de Late Middeleeuwen twee borgen gebouwd, de Menthedaborg en de Asingaborg, die beide in de 18e eeuw gesloopt zijn. Van de Asingaborg resteert nog een poortgebouw uit 1611. Rond het borgterrein heeft een gracht gelegen die begin 20e eeuw voor het grootste deel is gedempt. Het terrein van de Menthedaborg is in de 19e eeuw afgegraven. Het huidige gebouw is dus nog niet zo oud.
a3

De kadastrale kaart van rond 1830  is de oudst beschikbare gedetailleerde kaart van Middelstum. In vergelijking met de huidige situatie is het stratenpatroon in het centrum iets gewijzigd. Alle heringerichte straten zijn herkenbaar op de 19e eeuwse kaart. In de loop van de 19e en 20e eeuw is ter hoogte van het Concordiaplein de weg iets omgelegd en is de gracht binnen de Grachtstraat gedempt. Ook zijn enkele panden gesloopt. Verder heeft Middelstum zich behoorlijk uitgebreid.


Resultaten archeologisch onderzoek

Tijdens het onderzoek zijn veel sporen waargenomen, zoals wierdelagen , opgevulde (afval)kuilen, waterputten en resten van bebouwing. Uit deze sporen zijn vele vondsten afkomstig, waarvan hier slechts een selectie wordt getoond.

De Burgemeester F. van Ankenweg ligt buiten de wierde. In dit deel werden niet veel vondsten verwacht. Wel is een gedempte vaart uit de Nieuwe tijd waargenomen, die ooit op de plek van de Van Ankenweg liep. Verder zijn enkele fragmenten aardewerk uit de IJzertijd gevonden, die midden in de kwelderafzettingen bij elkaar lagen. Anders dan op de wierde, waar aardewerk samen met ander afval gedumpt werd om de wierde op te hogen, gaat het hier niet om nederzettingsafval. De vondsten geven in ieder geval aan dat de kwelders in de IJzertijd begaanbaar waren en ook gebruikt werden.

De Oudeschoolsterweg loopt over de rand van de wierde. Hier is aanzienlijk meer gevonden dan in de Van Ankenweg. Behalve allerlei sporen, zoals gedempte sloten en afvalkuilen, zijn er een paar opvallende zaken gevonden. Allereerst is er een houten duiker gevonden. Het is nog niet duidelijk hoe oud deze precies is, maar er zijn delen van de constructie meegenomen om te dateren. Op het kruispunt met de Johan Lewestraat is het fundament van een huis gevonden . Dit huis is rond 1900 afgebroken, toen de straat verbreed werd. Het staat nog op historische foto’s. Ook elders langs de straat zijn resten van verdwenen bebouwing gevonden. Een andere opvallende vondst zijn twee complete, bij elkaar behorende maalstenen,die in een gedempte sloot of gracht lagen. Stukken maalsteen worden vaker gevonden, per slot van rekening zijn het gebruiksgoederen die nogal slijten. Hele maalstenen daarentegen vind je bijna nooit. De maalstenen zijn van vulkanisch gesteente dat geïmporteerd is uit het Eifelgebied in Duitsland. Het voordeel van deze steensoort is dat het uit zichzelf scherp blijft. Maalstenen van dit materiaal komen al vanaf de IJzertijd voor. De gevonden maalstenen dateren waarschijnlijk uit de Late Middeleeuwen.

De Jacob Vinhuizenstraat ligt op het hoogste deel van de wierde en vlak langs de kerk. Bij het onderzoek zijn sporen en materiaal uit de Middeleeuwen en uit de Midden of Late IJzertijd gevonden, waaronder een bijna 4 m diepe waterput .

De Menthedalaan loopt van de rand van de wierde richting het centrum. Ook in deze straat zijn veel sporen en vondsten gedaan, met name uit de IJzertijd en Middeleeuwen, onder andere een groot spoor waarvan de onderzijde niet bereikt is. Waarschijnlijk gaat het om een waterput.

Ter hoogte van het Concordiaplein is aan het begin van de 20e eeuw het straatbeeld sterk gewijzigd. De straten zijn omgelegd en verbreed, waardoor enkele gebouwen verdwenen zijn. Hieronder ook het voormalige gemeentehuis, annex café, dat nog op historische foto's staat. Direct onder het straatniveau zijn hiervan muurresten gevonden . Onder dit gebouw bevond zich een kuil  met aardewerk uit de 14e tot 16e eeuw. Een aanwijzing dat het café een lange geschiedenis heeft gehad. Ook zijn hier wierdelagen waargenomen en zijn vondsten uit de IJzertijd en Romeinse tijd gedaan.
a4

De Grachtstraat loopt vanaf het centrum van de wierde naar de rand. Aan de noordzijde van de Grachtstraat lag tot het begin van de 20e eeuw de gracht van de Asingaborg. De rand hiervan lag net binnen de rioolsleuf. Uit de grachtvulling komen onder andere enkele muntjes uit de 17e tot 20e eeuw. Ook is hierin een zilveren muntje uit de Middeleeuwen gevonden. Op de overgang van het Concordiaplein naar de Grachtstraat bevond zich een kuil met veel materiaal uit de 17e tot begin 18e eeuw. Het luxe aardewerk en glas wijst op een welvarende eigenaar. Het zou kunnen dat het afval is van de bewoners van de Asingaborg.
Ook was in de Grachtstraat een 1 tot 2 m dik ophogingpakket aanwezig met veel scherven uit de IJzertijd en Romeinse tijd. De meeste van de geëxposeerde vondsten zijn hieruit afkomstig. Helemaal aan de westzijde van de Grachtstraat zijn juist weer veel vondsten uit de Vroege Middeleeuwen gevonden. Het gaat waarschijnlijk om een wierde uit de IJzertijd, die in de Middeleeuwen is uitgebreid.


De vondsten

Bij archeologisch onderzoek worden slechts zelden hele voorwerpen gevonden. Meestal gaat het om scherven die indertijd als afval zijn weg gegooid. De meeste vondsten zijn van aardewerk, met name afkomstig van potten die gebruikt werden in het huishouden.

IJzertijd en Romeinse tijd
Het meeste aardewerk wordt op basis van de vorm en samenstelling van de klei gedateerd in de IJzertijd en Romeinse tijd. Het aardewerk uit deze tijd is niet zoals tegenwoordig op een draaischijf gemaakt, maar handgevormd. Van klei werden rollen gemaakt, die op elkaar werden geboetseerd en vervolgens netjes werden afgewerkt. Er zijn scherven van grote potten met een vlakke bodem gevonden, die vaak aan de buitenzijde met een roetlaag bedekt zijn. Deze zullen waarschijnlijk gebruikt zijn om te koken. Andere vormen hebben meer de vorm van een kom of schaal en zullen een andere functie hebben gehad. Soms bevinden zich onder de rand oren om de pot op te kunnen hangen of knobbels.
Het aardewerk uit deze tijd is merendeels onversierd. Af en toe is de rand versierd met indrukken. Typisch voor het hele noordelijke kustgebied in de Late IJzertijd en Vroege Romeinse tijd is het voorkomen van het zogeheten streepbandaardewerk. Een klein scherfje is versierd met lijnen die in de wand van de pot zijn ingekrast. De onderzijde van grotere potten zijn vaak voor het bakken besmeerd of besmeten met een kleipap, waardoor de oppervlakte ruw wordt. Behalve voor verfraaiing van de pot, zorgde dit ervoor dat de pot ook niet makkelijk uit de handen glipte.
In het onderzoek zijn fragmenten van enkele deksels gevonden, die gediend zullen hebben om de potten af te dekken.
Een fenomeen dat overal in het Noord Nederlandse kustgebied wordt aangetroffen zijn potten met een gat in de bodem. Vaak is de bodem na het bakken doorboord. Mogelijk waren dit potten waarvan de bovenkant kapot was gegaan en die hergebruikt zijn als zeef. Er zijn ook objecten die speciaal vorm zijn gegeven en waarvan de bodem roetsporen vertoont. De functie hiervan is onbekend. Soms wordt gesuggereerd dat het gebruikt is bij het maken van kaas (kaasvorm).
Er zijn fragmenten van twee mini-potjes, onduidelijk is waarvoor ze gebruikt zijn.
Tussen het aardewerk bevinden zich zeer dikke fragmenten, soms met sporen van verbranding, die niet van een pot afkomstig zijn. Vermoed wordt dat deze fragmenten onderdeel geweest zijn van haardplaten.
Onder de vondsten zijn twee complete gebruiksvoorwerpen van aardewerk. De eerste is een spinschijfje, waarschijnlijk de oudste vondst die gedaan is bij het onderzoek. Spinschijfjes werden gebruikt bij het spinnen van wol vóór de uitvinding van het spinnenwiel tussen de 12e en 15e eeuw. Het spinklosje diende om het stokje dat gebruikt werd bij het spinnen te verzwaren, zodat het langer bleef ronddraaien. Het tweede gebruiksvoorwerp is een speelschijfje dat gemaakt is uit een potschijf. Dergelijke schijfjes worden vaker gevonden, maar wat voor spel er mee gespeeld werd kan niet meer achterhaald worden.
Sporadisch wordt in wierden echt Romeins aardewerk aangetroffen, dat in tegenstelling tot het lokale aardewerk wel op de draaischijf is gemaakt. Dit materiaal zal via handelscontacten in het Noorden terecht zijn gekomen. Onder de vondsten bevindt zich een randscherf die waarschijnlijk Romeins is.
In een wierde zijn ook vergankelijke materialen zoals hout en bot vaak goed bewaard gebleven, zoals bijvoorbeeld de tentoongestelde hoorn van een koe.
a5

Middeleeuwen
Tussen de Romeinse tijd en de Middeleeuwen lijkt er een bewoningshiaat te zijn. Het oudste Middeleeuwse materiaal dateert uit de 6e tot 7e eeuw. Het betreft een fragment aardewerk van zogeheten Hessen-Schortens aardewerk, dat een voorganger is van het typische kogelpotaardewerk uit de Middeleeuwen. De benaming kogelpotaardewerk is ontstaan door de vorm ervan. In tegenstelling tot het aardewerk uit de IJzertijd en Romeinse tijd had dit aardewerk geen vlakke bodem, maar waren ze geheel rond. Kogelpotten werden nog wel met de hand gevormd en lokaal geproduceerd. Van dit type aardewerk zijn scherven gevonden die gedateerd worden tussen de 9e en 15e eeuw. Ook is de complete bodem van een bakpan gevonden.
Naast kogelpotaardewerk is ook een tuitje gevonden van een pot die gemaakt is in de omgeving van Pingsdorf, in het Duitse Rijnland. In tegenstelling tot het kogelpotaardewerk is dit wel op de draaischijf vervaardigd. Dit is ook het geval bij een fragment van een kan van grijsbakkend aardewerk,dat gedateerd wordt aan het einde van de Middeleeuwen.

Tot de Middeleeuwen behoren ook het fragment tufsteen en de twee bakstenen. De grote baksteen behoort tot het type kloostermop. In de andere baksteen is een ornament aangebracht. Alle drie de bouwmaterialen komen voor in de kerk van Middelstum.
Andere vondsten die (vermoedelijk) tot de Middeleeuwen behoren zijn de twee bij elkaar behorende maalstenen en een klein zilveren muntje.

Nieuwe en Nieuwste tijd
Het aardewerk uit deze periode is allemaal vervaardigd op de draaischijf en werd niet meer lokaal geproduceerd maar in enkele productiecentra. Het normale gebruiksaardewerk is veelal rood gekleurd en aan de binnenzijde voorzien van glazuur om het waterdicht te maken. Tot het luxere aardewerk hoorde het Majolica, waarvan twee fraaie voorbeelden worden getoond. In het Duitse Rijnland werd vanaf de Late Middeleeuwen steengoed geproduceerd. Doordat het aardewerk op een hoge temperatuur gebakken werd, was het ondoordringbaar voor water. Ook twee knikkers  zijn van steengoed vervaardigd.

Tussen het slooppuin van het voormalige gemeentehuis/café zijn tijdens het onderzoek enkele fragmenten van fraaie wandtegels gevonden uit de 17e eeuw.
a6

Na de ontdekking van Amerika aan het einde van de 15e eeuw, werd de tabak in Europa geïntroduceerd. Pas vanaf het einde van de 16e eeuw werd tabak gemeengoed en kwam de ontwikkeling van de kleipijp op gang. De oudste pijpen hadden nog maar een kleine kop. Naarmate de tijd vorderde werd de kop steeds groter. De grootste productie van pijpen vond plaats rondom Gouda. De pijpenkop met de afbeelding van een dubbelkoppige adelaar is vermoedelijk in Groningen vervaardigd.

Het jongste stuk gevonden aardewerk is een compleet porseleinen schoteltje. Dit soort aardewerk was oorspronkelijk afkomstig uit China en Japan. Het schoteltje is echter in Europa geproduceerd in de 19e of 20e eeuw.

Behalve aardewerk is ook glas en metaal gevonden.
Twee glasscherven zijn afkomstig van luxe drinkbekers uit de 17e eeuw.
Onder het metaal bevinden zich verschillende muntjes, waaronder een duit uit de 17e eeuw.
Uit de vulling van de voormalige gracht binnen de Grachtstraat zijn drie centen gevonden uit de 19e eeuw, uit de regeerperiode van de koningen Willem I tot en met Willem III.

alogos